Huishoudelijk reglement

Het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging: Nederlands College van Belastingadviseurs heeft de onderdelen A tot en met H:

  1. Algemeen:
    Lidmaatschap
    Bestuur
    Algemene Ledenvergadering
  2. Reglement voor de Commissie van Beoordeling
  3. Reglement voor de Commissie van Tucht
  4. Reglement voor de Commissie van Beroep
  5. Reglement voor de Commissie Controle Financiën 
  6. Reglement voor de Beroepsuitoefening 
  7. Algemeen Reglement voor andere door het Bestuur ingestelde commissies
  8. Reglement Permanente Educatie

 

A. ALGEMEEN

Artikel A1

  1. Behalve de in artikel 13 van de statuten omschreven taak is het Bestuur voorts belast met:
    Het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering, waaronder begrepen het vaststellen van de agenda en het voordragen van kandidaten voor vacerende functies.
    Het uitvoeren van taken welke het Bestuur bij enig reglement zijn toegekend, dan wel aan het Bestuur zijn of worden gedelegeerd.
    Het opstellen en bewaken van de begroting, het indienen van een contributievoorstel en het innen van de vastgestelde contributies.
    En voorts alles te doen wat het in het belang van de Vereniging nodig en/of nuttig acht.
  2. Leden van het Bestuur van de Vereniging, leden van de permanente commissies, zoals genoemd in artikel 4, lid 3 van de statuten der Vereniging, alsmede leden van andere commissies door het Bestuur ingesteld, zijn verplicht tot strikte geheimhouding van alle feiten die te hunner kennis komen bij de uitoefening van hun werkzaamheden ten behoeve van de Vereniging.

Artikel A2

Het is bestuursleden en leden van commissies niet toegestaan om het adressenmateriaal van leden te exploiteren voor eigen commerciëe en/of ideële doeleinden.
Persoonlijke gegevens zijn uitsluitend bestemd voor intern gebruik, behoudens het vermelde in artikel 6, lid 9 van de statuten van de Vereniging.

Artikel A3

Het is aan leden die in een functie - van welke aard ook - voor de Vereniging werkzaam zijn, niet toegestaan een zakelijke relatie, direct dan wel indirect, met de Vereniging te hebben.

Artikel A4

De vacatiegelden en kostenvergoedingen voor bestuursleden, leden van commissies en plaatsvervangende leden van commissies worden telkenjare bij de behandeling van de begroting van de Vereniging voor een nieuw verenigingsjaar in de najaarsvergadering van de Algemene Ledenvergadering, op voorstel van het Bestuur, vastgesteld.

Artikel A5

  1. Van alle vergaderingen van Bestuur en/of commissies dienen notulen, dan wel korte samenvattingen van het besprokene te worden gemaakt, waarvan een exemplaar wordt gedeponeerd op het secretariaat.
  2. Op elke bestuurs- en commissievergadering dient door de aanwezige leden een presentielijst te worden getekend, welke na afloop van de vergadering op het secretariaat wordt afgegeven.
  3. Inzage in de op het secretariaat gedeponeerde stukken bedoeld in lid 1 van dit artikel is aan anderen dan de leden van het Bestuur en de desbetreffende commissie alleen toegestaan met instemming van het Bestuur.

Artikel A6

Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden na afloop van een verenigingsjaar, brengen de voorzitters c.q. secretarissen van de binnen de Vereniging bestaande commissies een beknopt verslag uit aan het Bestuur over de ten behoeve van de Vereniging verrichte werkzaamheden gedurende dat verenigingsjaar.

Artikel A7

  1. Conform het gestelde in artikel 4, lid 5 van de statuten is binnen de Vereniging de vorming van niet-rechtspersoonlijkheid bezittende regionale afdelingen mogelijk, indien daartoe - vanuit die regio - voldoende belangstelling bestaat. Over de indeling van Nederland in regio's beslist het Bestuur.
  2. Een regio-afdelingsreglement mag niet in strijd zijn met de statuten en de reglementen van de Vereniging.
  3. De leden, woonachtig binnen een regio waar een regio-afdeling is/wordt gevormd, kiezen uit hun midden een voorzitter, secretaris en penningmeester op niet-bindende voordracht van het Bestuur. Leden woonachtig binnen die regio hebben het recht tegenkandidaten te stellen voor deze functies.
  4. Iedere regio-afdeling kent een reglement dat door het Bestuur wordt vastgesteld.

Artikel A8

Het Bestuur kan, met instemming van de Algemene Ledenvergadering, aan een regio-afdeling een onkostenvergoeding toekennen ter dekking van kosten van bijeenkomsten en convocaties.

Artikel A9

  1. Het bestuur van een regio-afdeling dient er zorg voor te dragen dat een regio-bijeenkomst niet op een zodanig tijdstip wordt georganiseerd dat daardoor het bezoek van leden uit die regio aan een Algemene Ledenvergadering nadelig zou kunnen worden beïnvloed.
  2. Het bestuur van een regio-afdeling dient van elke bijeenkomst van de afdeling een beknopt verslag aan het Bestuur te doen toekomen.

LIDMAATSCHAP

Artikel A10

  1. De Vereniging kent twee categorieën gewone leden, te weten belastingadviseurs en belastingconsulenten.
  2. Zij die tot een lidmaatschap belastingadviseur c.q. belastingconsulent van de Vereniging wensen te worden toegelaten vragen bij het secretariaat een aanvraagformulier aan.
  3. Het secretariaat doet aanvrager/ster het aanvraagformulier toekomen, vergezeld van een exemplaar van de statuten en een exemplaar van het Reglement.
  4. De aanvrager die lid wenst te worden, zendt dit formulier volledig ingevuld en ondertekend aan het Bestuur.
  5. Een aanvraag voor het lidmaatschap zoals bedoeld in de artikelen A11 en A12, waarbij uit de aanmelding blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de bepalingen vermeld onder artikel A11, lid 3, wordt voor advies voorgelegd aan de Commissie van Beoordeling. De Commissie van Beoordeling adviseert vervolgens het Bestuur over de toelating, alsmede over de indeling van de categorie van het lidmaatschap.

Artikel A11 Lidmaatschap belastingadviseur

  1. Het bij artikel A10 bedoelde aanvraagformulier dient, bij aanvraag voor het lidmaatschap, bij toezending aan het Bestuur vergezeld te gaan van:
    1. een beschrijving van de genoten opleiding, de daarop afgegeven diploma's en de ervaring van aanvrager, met vermelding van verrichte werkzaamheden;
    2. een verklaring omtrent de persoon van de aanvrager van ten minste twee te goeder naam en faam bekend staande Nederlanders (echter niet meer dan één persoon uit de werkkring van aanvrager);
    3. indien aanvrager/ster zelfstandig werkzaam is, een verklaring dat hij/zij zich verplicht een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten.
    1. Het lidmaatschap belastingadviseur kan worden verworven door hen die de theoretische kennis bezitten, die nodig is om het beroep van belastingadviseur naar behoren te kunnen uitoefenen.
    2. Het lidmaatschap belastingadviseur kan worden verworven door hen die de praktische vaardigheden bezitten, die nodig zijn om het beroep van belastingadviseur naar behoren te kunnen uitoefenen.
  2. Het bezit van de in lid 2 van dit artikel genoemde theoretische kennis wordt aangetoond door het overleggen van authentieke, dan wel gewaarmerkte stukken van het diploma CB-belastingadviseur of een diploma van een opleiding fiscaal recht of fiscale economie op minimaal HBO-niveau. Het Bestuur beslist in aan haar voorgelegde gevallen.
  3. Het lidmaatschap kan voorts worden verworven door hen die:
    1. te goeder naam en faam bekend staan, niet werkzaam zijn op een wijze die strijdig is met de gedrags- en beroepsregels van de Vereniging; en
    2. niet voldoen aan de in lid 3 omschreven vereisten, doch bij een door de Commissie van Beoordeling middels een colloquium ingesteld onderzoek hebben aangetoond dat hun kennis en vaardigheden ten minste gelijkwaardig zijn aan de in lid 3 van dit artikel bedoelde.
  4. Wanneer voldaan wordt aan de vereisten gesteld onder lid 1, 2 en 3, adviseert de directeur het Bestuur binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag inzake aanvragen om toelating tot het lidmaatschap.
  5. Wanneer niet voldaan wordt aan één of meer van de vereisten gesteld onder lid 1, 2 en 3, maar wel wordt voldaan aan het gestelde onder lid 4, adviseert de Commissie van Beoordeling het Bestuur inzake aanvragen om toelating tot het lidmaatschap. Zij brengt binnen een maand, na de aanvrager gehoord te hebben, haar advies aan het Bestuur uit.
  6. Over de toelating tot het lidmaatschap beslist het Bestuur binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
  7. De aanvrager voor het lidmaatschap belastingadviseur (anders dan via de opleiding CB-belastingadviseur) kan een door het Bestuur vast te stellen toetredingssom verschuldigd zijn.

Artikel A12 Lidmaatschap belastingconsulent

  1. Het bij artikel A10 bedoelde aanvraagformulier dient, bij aanvraag voor het lidmaatschap, bij toezending aan het Bestuur vergezeld te gaan van:
    1. een beschrijving van de genoten opleiding, de daarop afgegeven diploma's en de ervaring van aanvrager, met vermelding van de verrichte werkzaamheden;
    2. een verklaring omtrent de persoon van de aanvrager van ten minste twee te goeder naam en faam bekend staande Nederlanders (echter niet meer dan één persoon uit de werkkring van aanvrager);
    3. indien aanvrager/ster zelfstandig werkzaam is, een verklaring dat hij/zij zich verplicht een beroepsaansprakelijkheidsverzekering te sluiten.
  2. 1.Het lidmaatschap belastingconsulent kan worden verworven door hen die de theoretische kennis bezitten, die nodig is om het beroep van belastingconsulent naar behoren te kunnen uitoefenen.
    2.Het lidmaatschap belastingconsulent kan worden verworven door hen die de praktische vaardigheden bezitten, die nodig zijn om het beroep van belastingconsulent naar behoren te kunnen uitoefenen.
  3. Het bezit van de in lid 2 van dit artikel genoemde theoretische kennis wordt aangetoond door het overleggen van authentieke, dan wel gewaarmerkte stukken van het diploma CB-belastingconsulent of een diploma van een ten minste gelijkwaardige fiscale opleiding. Het Bestuur beslist in aan haar voorgelegde gevallen.
  4. Het lidmaatschap kan voorts worden verworven door hen die:
    1. te goeder naam en faam bekend staan, niet werkzaam zijn op een wijze die strijdig is met de gedrags- en beroepsregels van de Vereniging; en
    2. niet voldoen aan de in lid 3 omschreven vereisten, doch bij een door de Commissie van Beoordeling middels een colloquium ingesteld onderzoek hebben aangetoond dat hun kennis en vaardigheden ten minste gelijkwaardig zijn aan de in lid 3 van dit artikel bedoelde.
  5. Wanneer voldaan wordt aan de vereisten gesteld onder lid 1, 2 en 3, adviseert de directeur het Bestuur binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag inzake aanvragen om toelating tot het lidmaatschap.
  6. Wanneer niet voldaan wordt aan één of meer van de vereisten gesteld onder lid 1, 2 en 3, maar wel wordt voldaan aan het gestelde onder lid 4, adviseert de Commissie van Beoordeling het Bestuur inzake aanvragen om toelating tot het lidmaatschap. Zij brengt binnen een maand, na de aanvrager gehoord te hebben, haar advies aan het Bestuur uit.
  7. Over de toelating tot het lidmaatschap beslist het Bestuur binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag.
  8. De aanvrager voor het lidmaatschap belastingconsulent (anders dan via de opleiding CB-belastingconsulent) kan een door het Bestuur vast te stellen toetredingssom verschuldigd zijn.

Artikel A13

Voor het aspirant-lidmaatschap moet aangetoond worden dat aan het gestelde in artikel 5, lid 5 van de statuten wordt voldaan.

Artikel A14

Leden als bedoeld in artikel A12 die de opleiding CB-belastingadviseur volgen, blijven ingedeeld in de categorie als in dit artikel A12 bedoeld. Voor wat betreft de contributie worden zij beschouwd als aspirant-lid.

Artikel A15

Conform artikel 9, lid 2 van de statuten hebben aspirant-leden het recht alle door de Vereniging georganiseerde bijeenkomsten bij te wonen.

Artikel A16

Aspirant-leden hebben op de vergaderingen geen stemrecht, maar mogen op verzoek op bijeenkomsten wel het woord voeren.

Artikel A17

Aspirant-leden kunnen alleen met instemming van het Bestuur functies vervullen binnen de organen en commissies van de Vereniging.

Artikel A18

  1. Het buitengewone lidmaatschap staat open voor personen die niet voldoen aan de toelatingseisen voor het lidmaatschap en aspirant-lidmaatschap. Voorwaarde hierbij is dat zij te goeder naam en faam bekend staan.
  2. Wanneer leden gebruik wensen te maken van de mogelijkheid om hun lidmaatschap om te zetten in een buitengewoon lidmaatschap, op grond van beëindiging van hun werkzaamheden ten gevolge van pensionering of arbeidsongeschiktheid, dient aangetoond te worden dat voldaan is aan het gestelde in artikel 5, lid 4 van de statuten. Het Bestuur beslist in aan haar voorgelegde gevallen.

Artikel A19

Buitengewone leden hebben toegang tot alle bijeenkomsten van de Vereniging, hebben het recht op verzoek het woord te voeren, maar hebben geen stemrecht. Buitengewone leden kunnen geen functies vervullen binnen de organen van de Vereniging.

Artikel A20

Leden kunnen niet gelijktijdig in meer dan twee commissies zitting hebben.
Het lidmaatschap van de Commissie van Tucht, van de Commissie van Beroep en van de door de Algemene Ledenvergadering benoemde leden van de Commissie Controle Financiën is niet verenigbaar met welke andere functie dan ook in een van de organen van de Vereniging.

BESTUUR

Artikel A21

Leden die worden voorgedragen voor een functie als lid van het Bestuur dienen, alvorens op de kandidatenlijst te kunnen worden geplaatst, welke wordt voorgelegd aan de Algemene Ledenvergadering, een verklaring te ondertekenen dat zij met de kandidaatstelling instemmen en bij benoeming door de Algemene Ledenvergadering de benoeming zullen aanvaarden.
Uit de vergaderstukken, die aan de leden worden toegezonden, moet bij deze kandidaatstellingen blijken dat de desbetreffende kandidaten deze verklaring hebben ondertekend.

Artikel A22

Kandidaten voor bestuursfuncties, alsmede voorgestelde leden van commissies (zowel permanente als ad-hoc commissies) dienen te verklaren dat zij hebben kennis genomen van de inhoud van de statuten en reglementen van de Vereniging alvorens zij hun functie aanvaarden.

Artikel A23

Het Bestuur is verplicht niet-leden die voorgedragen worden voor een functie in de Commissie van Tucht of in de Commissie van Beroep tijdig in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de inhoud van de statuten en reglementen van de Vereniging. Ook deze in dit artikel bedoelde niet-leden dienen voor hun kandidaatstelling een verklaring te ondertekenen dat zij in die kandidaatstelling bewilligen en bij benoeming door de Algemene Ledenvergadering de functie aanvaarden.

ALGEMENE LEDENVERGADERING

Artikel A24

In elke Algemene Ledenvergadering is een presentielijst voor elk van de categorieën leden aanwezig, die door ieder der desbetreffende aanwezigen dient te worden getekend.

Artikel A25

De vergaderingen worden op het bij de oproeping tot de vergadering aangegeven tijdstip door de voorzitter geopend, ongeacht het aantal aanwezige stemgerechtigde en andere leden.

Artikel A26

In alle vergaderingen dienen aanwezig te zijn: de statuten, het Reglement en de notulen van de laatstgehouden vergadering, alsmede het ledenregister van de Vereniging.

Artikel A27

Wanneer in een Algemene Ledenvergadering schriftelijk dient te worden gestemd, wijst de voorzitter van de vergadering drie leden aan die het stembureau vormen dat de uitgebrachte stemmen telt, de uitslag van die stemming vaststelt en de voorzitter daaromtrent informeert. Stembriefjes die niet of onduidelijk zijn ingevuld of van een bijvoeging of ondertekening zijn voorzien of waarop - bij het stemmen over personen - meer namen voorkomen dan het aantal te kiezen personen, zijn ongeldig.

Artikel A28

Het Bestuur draagt zorg voor voldoende en - bij meerdere stemmingen - voor verschillend gekleurde blanco stembriefjes die bij het tekenen van de presentielijsten aan de stemgerechtigde leden worden uitgereikt.

Artikel A29

  1. Gewone leden hebben het recht tijdens de vergadering voorstellen in te dienen. Zodanige voorstellen komen in behandeling indien deze door ten minste tien aanwezige gewone leden worden ondersteund.
  2. Een voorstel van orde komt in behandeling vóór alle andere punten.
  3. De voorzitter heeft het recht de vergadering te schorsen.

Artikel A30

  1. De voorzitter heeft het recht bij de bespreking van een bepaald punt te vragen welke leden daarover het woord willen voeren. Hij kan leden die zich dan niet opgeven later het woord weigeren.
  2. De voorzitter heeft het recht een maximum spreektijd vast te stellen. Een lid dat een langere spreektijd wenst dan de vastgestelde, richt een verzoek daartoe tot de voorzitter, die daarover beslist.
  3. Het lid dat over een bepaald punt het woord heeft gevoerd krijgt desgewenst gelegenheid daarover wederom het woord te voeren.
  4. ndien een lid naar het oordeel van de voorzitter het debat of het verloop van de vergadering op ernstige wijze verstoort, kan de voorzitter hem het woord ontnemen.
  5. Indien een lid zich niet aan de leiding van de voorzitter onderwerpt, kan de voorzitter hem het recht tot het verder bijwonen van de vergadering ontzeggen.
  6. De voorzitter heeft het recht een onderwerp dat door een lid bij de rondvraag ter sprake wordt gebracht, niet in behandeling te nemen. Indien een lid een onderwerp aan de orde en ter discussie wil stellen dient hij dit ten minste zeven dagen voor de vergadering schriftelijk aan het Bestuur kenbaar te maken.
  7. De voorzitter mag de vergadering niet sluiten voordat alle op de agenda vermelde punten in behandeling zijn genomen, tenzij de vergadering anders beslist.

B. REGLEMENT VOOR DE COMMISSIE VAN BEOORDELING

Artikel B1

  1. De Commissie van Beoordeling wordt benoemd door het Bestuur en bestaat uit ten minste twee leden, waarvan er één fungeert als de voorzitter die geen lid behoeft te zijn van de Vereniging. Het Bestuur kan uit de leden een gelijk aantal plaatsvervangende leden benoemen, alsmede een plaatsvervangend voorzitter buiten de leden.
  2. De leden van de Commissie van Beoordeling dienen minimaal het eindniveau van de CB-belastingadviseursopleiding te hebben, dan wel een opleiding daaraan ten minste gelijkgesteld.
  3. De leden en plaatsvervangende leden bekleden geen bestuursfunctie binnen de Vereniging.

Artikel B2

  1. De leden en de plaatsvervangende leden, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden voor een periode van drie jaren benoemd. Zij zijn eenmaal herkiesbaar. Kandidaatstelling c.q. herbenoeming kan voor de laatste maal plaatsvinden in het jaar dat het desbetreffende commissielid de leeftijd van 65 jaar bereikt.
  2. Na eerste benoeming van de commissie zal via een door de commissie vast te stellen rooster van aftreden de samenstelling zodanig zijn dat de continuïteit gewaarborgd is en de deskundigheid wordt behouden.
  3. Hij/zij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens/wier plaats hij/zij is benoemd, volgens het rooster van aftreden had moeten aftreden.

Artikel B3

Indien een lid van de commissie meent zich van de behandeling van een zaak te moeten onthouden, dan wel zich aan die behandeling te moeten onttrekken, treedt in zijn plaats het plaatsvervangend lid.

Artikel B4

De Commissie van Beoordeling verstrekt aan het Bestuur advies over aanvragen, conform het gestelde in het Reglement onder artikel A11, leden 4 en 6 en artikel A12, leden 4 en 6, die het Bestuur ontvangt om als lid van de Vereniging te worden toegelaten.

Artikel B5

De Commissie van Beoordeling zal zich voor de oordeelvorming niet beperken tot de informatie die blijkt uit het inschrijvingsformulier; de commissie zal zich voor nadere informatie rechtstreeks wenden tot de aanvrager en deze na behoorlijke oproeping horen. Daaraan kunnen kosten verbonden zijn ten laste van de aanvrager.

Artikel B6

De Commissie van Beoordeling onderzoekt of de aanvrager aan de eisen voldoet welke aan het aangevraagde lidmaatschap zijn gesteld, zoals deze voor leden zijn omschreven in artikel 5, lid 3 van de statuten, nader uitgewerkt in dit Reglement in artikel A11, leden 4 en 6 en artikel A12, leden 4 en 6.

Artikel B7

De commissie adviseert schriftelijk aan het Bestuur over een aanvraag tot toelating bij meerderheid der stemmen. Wanneer tegen een toelating bij een minderheid der leden bezwaren bestaan, worden deze, indien die minderheid dat wenst, met redenen omschreven aan het Bestuur kenbaar gemaakt. Ingeval van staken van de stemmen beslist de voorzitter.

C. REGLEMENT VOOR DE COMMISSIE VAN TUCHT

Artikel C1

  1. De Commissie van Tucht wordt benoemd door het Bestuur en bestaat uit ten minste twee leden, lid van de Vereniging, alsmede uit een voorzitter die geen lid is van de Vereniging. Het Bestuur kan uit de leden plaatsvervangende leden benoemen, alsmede een plaatsvervangend voorzitter buiten de leden.
  2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie van Tucht dienen meester in de rechten te zijn. De functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de Commissie van Tucht zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van de Vereniging.
  3. De overige leden en plaatsvervangende leden dienen minimaal het eindniveau van de CB-belastingadviseursopleiding te hebben, dan wel een opleiding daaraan ten minste gelijkgesteld, en ten minste drie jaren lid te zijn van de Vereniging. Zij mogen binnen de Vereniging geen bestuursfunctie bekleden en geen deel uitmaken van een andere commissie van de Vereniging.

Artikel C2

  1. De leden, de plaatsvervangende leden, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden voor een periode van drie jaren benoemd.
  2. Na eerste benoeming van de commissie zal via een door de commissie vast te stellen rooster van aftreden de samenstelling zodanig zijn dat de continuïteit gewaarborgd is en de deskundigheid wordt behouden.
  3. Hij/zij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens/wier plaats hij/zij is benoemd, volgens het rooster van aftreden, had moeten aftreden.

Artikel C3

  1. Tussen leden, plaatsvervangende leden, de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de commissie mag geen bloed- of aanverwantschap bestaan tot en met de vierde graad inbegrepen, noch mogen zij in een samenlevingsverband samenwonen.
  2. Ingeval een klager of beklaagde een familie- of andere relatie heeft als in lid 1 bedoeld met een lid van de commissie, dan wel een kantoorgenoot, maat of vennoot of werknemer is van een lid van de commissie, is dat lid niet bevoegd zitting te hebben in de commissie die de desbetreffende klacht behandelt.

Artikel C4

  1. Aan de tuchtrechtspraak zijn onderworpen de gewone leden en de aspirant-leden van de Vereniging en anderen die zich jegens de Vereniging tot naleving van de statuten en reglementen van de Vereniging hebben verbonden.
  2. Indien een lid of aspirant-lid het lidmaatschap van de Vereniging beëindigt of verliest, blijft de betrokkene aan de rechtspraak van de commissie onderworpen terzake van handelingen en gedragingen die hebben plaatsgevonden gedurende de periode dat hij/zij lid was.

Artikel C5

  1. Een klacht tegen een lid of aspirant-lid van de Vereniging wordt door de commissie in behandeling genomen. Een ingediende klacht dient ten minste te bevatten naam en adres van de klager en naam en adres van de beklaagde, alsmede een duidelijke uiteenzetting van de aard van de klacht. De commissie is ook bevoegd op eigen initiatief een klachtprocedure tegen een lid in gang te zetten.
    Een klacht kan zowel worden ingediend door een natuurlijk persoon als door een rechtspersoon als ook door een vennootschap onder firma of een maatschap indien de klager op enigerlei wijze door de beklaagde is benadeeld.
  2. Alvorens een klacht tegen een lid of aspirant-lid van de Vereniging in behandeling wordt genomen, dient de klager een waarborgsom te betalen. De hoogte van de waarborgsom wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur van de Vereniging, waarbij onderscheid gemaakt wordt in klagers die een natuurlijk persoon zijn en anderen. Na het indienen van de klacht ontvangt de klager met de ontvangstbevestiging van het klaagschrift een uitnodiging om de waarborgsom binnen vier weken na het indienen van de klacht op een door het bestuur van de Vereniging aan te wijzen rekening te storten c.q. over te maken. Daarna wordt de klacht in behandeling genomen. Wanneer de klager in het gelijk wordt gesteld, wordt de gestorte waarborgsom terugbetaald zodra de uitspraak van de Commissie in kracht van gewijsde is. Indien de Commissie op eigen initiatief een klachtprocedure in gang zet, is geen waarborgsom verschuldigd.
  3. De commissie kan zich niet-ontvankelijk verklaren. De commissie kan eveneens besluiten zich te onthouden van een uitspraak omtrent het aan haar voorgelegde geschil, indien zij van oordeel is dat:
    1. hetzij het doen van een uitspraak uit hoofde van de aard van het geschil ongewenst moet worden geacht;
    2. hetzij de zakelijke inhoud van het geschil van te geringe betekenis is;
    3. hetzij de feiten, waarop het geschil betrekking heeft te ver in het verleden liggen.
  4. Ook wanneer de Commissie zich niet-ontvankelijk verklaart of zich van een uitspraak onthoudt, motiveert zij haar beslissing.

Artikel C6

  1. De secretaris van de Commissie geeft van de ingekomen klacht, dan wel van de door de Commissie op eigen initiatief ingestelde procedure, kennis aan het bestuur van de Vereniging.
  2. Binnen veertien dagen nadat de klacht bij de secretaris van de Commissie is binnengekomen, wordt de klager uitgenodigd de waarborgsom op de door het bestuur van de Vereniging aan te wijzen rekening te storten/over te maken onder mededeling dat de klacht eerst na ontvangst van deze betaling in behandeling wordt genomen. Blijft betaling binnen de gestelde termijn uit dan wordt het door de secretaris aangelegde dossier ter zijde gelegd.
  3. Na ontvangst van de waarborgsom wordt de beklaagde een kopie van het klaagschrift toegezonden met een kopie van het reglement voor de Commissie van Tucht onder vermelding dat binnen vier weken na dagtekening van het schrijven van de secretaris een verweerschrift bij het secretariaat kan worden ingediend. De termijn kan éénmaal met vier weken worden verlengd. Een eventuele verdere verlenging is uitsluitend toegestaan met medewerking van de klager en na goedkeuring van de voorzitter van de Commissie.
  4. Na ontvangst van het verweerschrift deelt de secretaris aan partijen mee wanneer de zaak wordt behandeld. Tot een week voor de datum van behandeling kunnen partijen de Commissie nog stukken toezenden. De voorzitter van de Commissie kan partijen vragen om toezending van nadere bescheiden en hij kan partijen aanvullende vragen stellen welke correspondentie binnen de door de voorzitter van de Commissie genoemde termijn dient te worden ingezonden aan het secretariaat.
  5. De zittingen van de Commissie worden in de regel gehouden op de eerste woensdag van de even maanden met uitzondering van de maand augustus. Zij vangen in de regel aan om 09.30 uur en worden gehouden in het kantoor van de Vereniging, doch kunnen ook elders in het land worden gehouden.

Artikel C7

Alle stukken dienen tenminste in drievoud te worden ingediend. De secretaris van de Commissie ziet er op toe dat partijen de over en weer ingediende stukken ontvangen. De secretaris draagt er zorg voor dat de processtukken tijdens de kantooruren ter inzage liggen voor klager en beklaagde.

Artikel C8

  1. De zaken worden ter zitting behandeld door de voorzitter, die de leiding van de zitting heeft, en twee leden. De secretaris van de Commissie maakt een verslag op van hetgeen besproken wordt. De Commissie kan besluiten dat eenvoudige zaken uitsluitend door de voorzitter worden behandeld.
  2. Indien een lid van de Commissie niet in staat is dan wel niet bevoegd is in een zaak te oordelen onttrekt hij zich aan de behandeling van de desbetreffende zaak en treedt in zijn plaats één van de plaatsvervangende leden van de Commissie op.

Artikel C9

  1. De klager en beklaagde worden uitgenodigd in persoon te verschijnen. Zij zijn gerechtigd zich door een ander te laten vertegenwoordigen mits voorzien van een schriftelijke en voor de Commissie verifieerbare volmacht. In Nederland ingeschreven advocaten hoeven geen schriftelijke volmacht teneinde één van de partijen te kunnen vertegenwoordigen. De klager en beklaagde kunnen zich door een raadsman doen bijstaan na toestemming van de Commissie. De Commissie kan in Nederland ingeschreven advocaten niet weigeren als raadsman op te treden.
  2. Indien klager of beklaagde niet bij de behandeling zijn ondanks een behoorlijke oproeping kan de Commissie hieruit de conclusie trekken die zij wenselijk acht.

Artikel C10

De commissie is bevoegd om op verzoek van partijen, dan wel op eigen initiatief over te gaan tot het horen van getuigen en/of deskundigen. Deze getuigen en/of deskundigen worden door of vanwege de belanghebbende opgeroepen.

Artikel C11

De commissie bepaalt het bedrag van de aan de getuigen en/of deskundigen te betalen vergoeding, met inbegrip van de werkelijk gemaakte kosten. Deze kosten komen voor rekening van die partij die getuigen en/of deskundigen oproept, onverminderd het hier onder artikel C12 bepaalde.

Artikel C12

De commissie stelt in de uitspraak de hoogte van de kosten vast waaronder die van de Commissie. Tevens bepaalt de Commissie ten laste van wie deze vacatiegelden en kostenvergoedingen komen. Voorts bepaalt de Commissie de hoogte van de vacatiegelden en kostenvergoedingen welke geheel of gedeeltelijk ten laste van één van de partijen komen. Het staat de secretaris vrij waarborgsommen te verrekenen met de door de Commissie opgelegde kostenveroordeling.

Artikel C13

De commissie doet binnen drie maanden na het aanhangig maken van een klacht uitspraak. De commissie kan deze termijn met maximaal drie maanden verlengen. De uitspraak van de commissie op een ingediende klacht of een op eigen initiatief aanhangig gemaakte procedure is met redenen omkleed en kan leiden tot waarschuwing, berisping, schorsing of ontzetting als lid van de Vereniging. De commissie bepaalt in de uitspraak tevens of en zo ja, op welke wijze de uitspraak wordt gepubliceerd. De naam van de beklaagde of van partijen wordt alleen in publicaties vermeld indien zulks in het algemeen belang is. Afschrift van de uitspraak wordt onverwijld gedagtekend en aangetekend verzonden, zowel aan beklaagde als aan klager.

Artikel C14

Dit reglement treedt in werking dertig dagen nadat dit door het bestuur van het Nederlands College van Belastingadviseurs is vastgesteld. Zaken die aanhangig zijn gemaakt voor het moment dat dit reglement in werking treedt worden afgedaan conform de regels zoals die golden totdat dit reglement in werking treedt.

Artikel C15

Zowel beklaagde als klager hebben binnen twee maanden na verzending door de secretaris van het afschrift van de uitspraak het recht beroep in te stellen bij de Commissie van Beroep.
Indien het een uitspraak betreft van uitsluitend de voorzitter heeft beklaagde het recht in verzet te komen tegen deze uitspraak, binnen één maand na verzending door de secretaris van het afschrift van de beslissing van de voorzitter waardoor de beslissing van de voorzitter vervalt en de zaak, met recht op hoger beroep, in haar volle omvang door de gehele Commissie wordt behandeld.

Artikel C16

De Commissie kan kennisnemen van andere geschillen waaronder declaratiegeschillen indien in ieder geval één van de partijen lid is van het Nederlands College van Belastingadviseurs. Partijen kunnen zich met een overeenkomst tot arbitrage alsdan wenden tot de Commissie, waarna de Commissie met inachtneming van de hierboven gestelde regels zal beslissen naar de regelen des rechts en conform de wettelijke bepalingen een arbitraal vonnis zal wijzen.

D. REGLEMENT VOOR DE COMMISSIE VAN BEROEP

  1. De Commissie van Beroep wordt benoemd door het Bestuur en bestaat uit een oneven aantal van ten minste drie en maximaal vijf personen, waarvan een plaatsvervangend voorzitter. De meerderheid van de commissie, waaronder de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, is geen lid van de Vereniging.
  2. De overige leden dienen ten minste drie jaren lid te zijn van de Vereniging, daarin geen bestuursfunctie te bekleden en geen deel uit te maken van een andere commissie van de Vereniging.
  3. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter dienen meester in de rechten te zijn.

Artikel D2

  1. De leden, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden voor een periode van drie jaren benoemd. Zij zijn eenmaal herkiesbaar.
  2. Na eerste benoeming van de commissie zal via een door de commissie vast te stellen rooster van aftreden de samenstelling zodanig zijn dat de continuïteit gewaarborgd is en de deskundigheid wordt behouden.
  3. Hij/zij die is benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens/wier plaats hij/zij is benoemd, volgens het rooster van aftreden, had moeten aftreden.

Artikel D3

Het lidmaatschap van het Bestuur of van de Commissie van Tucht of een lidmaatschap van welke andere commissie van de Vereniging dan ook, is onverenigbaar met dat van de Commissie van Beroep.

Artikel D4

De Commissie van Beroep doet een bindende uitspraak in geschillen, voor zover de statuten en reglementen een beroep bij de Commissie van Beroep toestaan, waarbij de commissie de partijen de gelegenheid geeft om gehoord te worden.
De commissie deelt haar met redenen omklede uitspraak schriftelijk aan partijen mede en bepaalt tevens of en zo ja, op welke wijze de uitspraak moet worden gepubliceerd.
De naam van de beklaagde of van partijen wordt alleen in publicaties vermeld indien zulks in het algemeen belang is.

Artikel D5

Voor de Commissie van Beroep zijn de artikelen C3 en C7 tot en met C14 van overeenkomstige toepassing.
De Commissie van Beroep bepaalt zelve de procesgang, met inachtneming van de statuten en reglementen van de Vereniging en met inachtneming van de wet.

E. REGLEMENT VOOR DE COMMISSIE CONTROLE FINANCIEN

Artikel E1

Twee leden van de Commissie Controle Financiën worden op niet-bindende voordracht van het Bestuur benoemd door de Algemene Ledenvergadering. Tevens hebben in deze commissie zitting een door het Bestuur te benoemen lid van het Bestuur, niet zijnde de penningmeester, alsmede de directeur en de controller/administrateur van de Vereniging. De directeur en de controller/administrateur hebben in deze commissie geen stemrecht.

Artikel E2

De taken en de verantwoordelijkheden van de commissie zijn:

  1. Het bewaken van een doeltreffende administratieve organisatie en het tijdig signaleren van inbreuken daarop.
  2. Het voorkomen van begrotingsoverschrijdingen c.q. tekorten die kunnen voortvloeien uit onzorgvuldig beheer.
  3. Het bewaken van het vermogen van de Vereniging.
  4. Het voeren van overleg met het Bestuur c.q. de penningmeester.
  5. Het voorkomen van malversaties in ruime zin.
  6. Het voeren van overleg met de controlerende accountant.

Artikel E3

Teneinde haar taken adequaat te kunnen uitvoeren heeft de commissie de bevoegdheid om:

  1. Financieel inzicht te verkrijgen aan de hand van de daartoe naar haar oordeel benodigde stukken.
  2. Het Bestuur te adviseren omtrent het nemen van financiële maatregelen van materieel belang, alsmede het doen van voorstellen van administratief-organisatorische aard.
  3. Indien het Bestuur in gebreke blijft en na daartoe bij aangetekend schrijven door de commissie te zijn gesommeerd tot het nemen van maatregelen van materieel belang, heeft de commissie de bevoegdheid zelfstandig de leden teinformeren omtrent de gewenste maatregelen, zodat de leden zelf een Algemene Ledenvergadering kunnen uitschrijven.
  4. De commissie is verplicht op de voorjaarsvergadering de Algemene Ledenvergadering (tussen)verslag te doen van haar bevindingen.
  5. De commissie komt jaarlijks ten minste twee maal bijeen.
  6. Ieder lid van de commissie heeft het recht de commissie bijeen te roepen.

Artikel E4

De commissie kan zich op kosten van de Vereniging door één of meer deskundigen doen bijstaan.

F. REGLEMENT VOOR DE BEROEPSUITOEFENING

Artikel F1

  1. Het Reglement voor de Beroepsuitoefening is van toepassing voor de leden en aspirant-leden, hierna te noemen: "leden".
  2. Leden hebben zich te onthouden van daden die aanstoot kunnen geven, of die de goede naam van het beroep van belastingadviseur in het algemeen of van de Vereniging in het bijzonder zouden kunnen schaden.
  3. Een lid dient in de uitoefening van zijn beroep zijn werkzaamheden eerlijk, nauwgezet en naar beste vermogen te verrichten.
    Het Bestuur kan daarvoor algemene richtlijnen geven.
  4. Een lid dient te zorgen voor eigen adequate vakbekwaamheid.

Artikel F2

Een lid dient ervoor zorg te dragen dat de schriftelijke adviezen en mededelingen, die hij in de uitoefening van zijn beroep doet uitgaan, zijn naam en functie vermelden.

Artikel F3

  1. Het lid van de Vereniging oefent zijn beroep uit:
    1. voor eigen rekening als zelfstandig gevestigd;
    2. onder gemeenschappelijke naam met één of meer belastingadviseurs of andere beroepsbeoefenaren als onder lid 2;
    3. voor gemene rekening, in maatschap of samenwerking met één of meer belastingadviseurs of andere beroepsbeoefenaren als onder lid 2;
    4. in dienstbetrekking tot de rechtsvormen onder a, b en c genoemd, of tot een rechtspersoon.
  2. Samenwerkingsvormen zijn alleen toelaatbaar met personen die aan dezelfde of vergelijkbare beroepsregels en/of tuchtrechtspraak onderworpen zijn; dienstbetrekking tot een rechtspersoon is slechts dan toelaatbaar als de doelstellingen en het beleid van deze rechtspersoon niet strijdig zijn met dit beroepsreglement. Ingeval van samenwerking met beroepsuitoefenaren van een andere discipline is het Bestuur bevoegd de desbetreffende samenwerkingsovereenkomst op te vragen, teneinde te beoordelen of de samenwerking aan de vereisten van de Vereniging voldoet.
  3. Voor alle niet in lid 1 van dit artikel genoemde gevallen van beroepsuitoefening is de toestemming van het Bestuur vereist. Deze toestemming kan voor bepaalde of onbepaalde tijd worden verleend, al dan niet onder het stellen van voorwaarden.
  4. Tot de voorwaarden bedoeld in lid 3 behoort in ieder geval het verbod tot het voeren van de beroepsaanduiding en/of de voorwaarde dat de werkgever zich onthoudt van ongevraagde dienstenaanbieding op fiscaal gebied.
  5. Tegen de krachtens de voorgaande leden van dit artikel door het Bestuur genomen beslissing staat beroep open bij de Commissie van Tucht.

Artikel F4

De leden zorgen er voor hun onafhankelijkheid, zowel jegens cliënt als jegens de overheid en anderen te bewaren.
Het is een lid niet geoorloofd het beroep uit te oefenen of functies te bekleden, welke onverenigbaar zijn met het beroep van belastingadviseur.

Artikel F5

  1. De leden zijn gehouden een adequaat cliëntenonderzoek te verrichten, dat hen in staat stelt om de cliënt en/of de uiteindelijk belanghebbende te identificeren en te verifiëren, op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt, het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie vast te stellen en de tijdens de duur van deze relatie verrichte transacties voortdurend te controleren. Leden zijn gehouden geconstateerde of voorgenomen ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit Nederland.
  2. De leden zijn gehouden hun arbeid eerlijk en nauwgezet te verrichten, en zich te onthouden van al hetgeen in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep.
    Zij behoren op goede gronden overtuigd te zijn van de juistheid der door hen medegedeelde uitkomsten en adviezen en door hen opgestelde belastingaangiften.
    Zij behoeven echter niet de juistheid van eventuele balansen na te gaan, indien hen daartoe geen speciale opdracht is verstrekt, doch mogen op de voorgelegde cijfers afgaan, tenzij er geconstateerde onjuistheden in voorkomen. Voor het niet ontdekken van onjuistheden, welke zonder grondig onderzoek der administratie niet aan het licht kunnen komen, zijn zij niet verantwoordelijk, evenmin als voor die onjuistheden, welke het onderzoek der administratie, met inachtneming van eventuele beperkingen door de opdrachtgever opgelegd, niet aan het licht kon brengen.
    Leden zijn echter wel gehouden om de verkregen informatie kritisch en op aannemelijkheid te beoordelen en de cliënt zonodig vragen te stellen. Zij zullen noch direct, noch indirect ertoe meewerken dat aan de Belastingdienst, Uitvoeringsinstelling of andere daarmee gelijk te stellen instanties geheel of gedeeltelijk wordt onthouden wat hen rechtens toekomt.
  3. Bij de productie van jaarstukken (conform de wettelijke voorschriften) en andere rapportages dient melding te worden gemaakt van de aard en de omvang van de opdracht en de verrichte werkzaamheden.
  4. Ieder lid dient ervoor zorg te dragen dat het eventuele risico van zijn beroepsaansprakelijkheid door een adequate verzekering is gedekt.
  5. Van iedere opdracht wordt een dossier aangelegd dat alle gegevens met betrekking tot deze opdracht bevat en dat tot ten minste zeven jaren na afsluiting van de opdracht bewaard blijft. Is het een doorlopende opdracht, dan vindt zuivering eerst plaats vijf jaren nadat belastingaanslagen onherroepelijk zijn geworden of arresten in kracht van gewijsde zijn gegaan. Het dossier is eigendom van de belastingadviseur, echter op verzoek van de cliënt verstrekt de belastingadviseur afschriften van alle voor de cliënt met betrekking tot de uitvoering van de opdracht van belang zijnde stukken.
  6. Het is de leden geoorloofd de hen opgedragen arbeid onder hun verantwoordelijkheid door een vennoot, medewerkers of assistenten te doen verrichten. Ook op de aldus verrichte werkzaamheden zijn de bepalingen van dit reglement onverminderd van toepassing.
  7. Bij de leden staat het belang van de cliënt op de voorgrond; daarom onthouden zij zich van alles wat tot onnodige opvoering van kosten zou leiden.
  8. Het door een lid te declareren honorarium behoort evenredig te zijn aan de aard en de omvang der verrichte werkzaamheden, waarbij evenwel rekening zal mogen worden gehouden met het belang der zaak.
  9. Indien een cliënt bezwaar maakt tegen een ingediende declaratie kan het desbetreffende lid, met instemming van de desbetreffende cliënt, de declaratie ter beoordeling voorleggen aan de Commissie van Tucht. Cliënten hebben het recht zich over een te hoge declaratie bij de Commissie van Tucht te beklagen; bij een eventueel geschil dient het lid de cliënt nadrukkelijk op dit recht te wijzen.
  10. Een lid dient ervoor zorg te dragen dat aan anderen geen mededelingen worden gedaan omtrent zaken met een vertrouwelijk karakter, waarvan in het kader van de uitvoering van een hem verleende opdracht door hem of een van zijn werknemers kennis wordt genomen. Deze plicht geldt niet voor zover de uitvoering van die opdracht het doen van zodanige mededeling vereist of het niet-doen van die mededeling in strijd is met de wet.
  11. Een lid is, indien hij voor zichzelf of een kantoorgenoot optreedt in een tucht-, civiele-, bestuursrechtelijke of strafprocedure, gerechtigd de door of namens de cliënt verschafte gegevens en informatie alsmede andere gegevens en informatie waarvan hij bij de uitvoering van de opdracht kennis heeft genomen aan te wenden voor zover deze naar zijn redelijk oordeel van belang kunnen zijn voor het voeren van bedoelde procedures.

Artikel F6

De leden zullen zich niet op onheuse wijze over medeleden uitlaten. Klachten jegens een medelid behoren bij de Commissie van Tucht te worden ingediend.

Artikel F7

Een lid zal geen opdrachten aanvaarden van iemand die cliënt is of kort geleden is geweest van een ander lid, hierna genoemd: "het bestaande lid", alvorens hij dat lid daarover heeft geïnformeerd. Onder informeren wordt verstaan:

  1. Onder de gegeven omstandigheden zo zorgvuldig mogelijke mededeling aan het bestaande lid dat het overnemende lid verzocht is werkzaamheden te gaan verrichten voor zijn cliënt. De mededeling dient per brief te geschieden, met de mogelijkheid om in daartoe nopende gevallen per telefoon (gevolgd door een schriftelijke bevestiging) of per fax te informeren.
  2. Een inspanningsverplichting voor het overnemende lid om te bevorderen dat eventuele openstaande rekeningen door de cliënt zo spoedig mogelijk betaald zullen worden. Openstaande rekeningen mogen voor het bestaande lid geen reden zijn om bezwaren tegen overname van de cliënt te maken, noch om niet aan die overname mee te werken.
  3. Een documentatie-/informatieverplichting voor het bestaande lid om die documenten/dossierbescheiden en/of overige relevante informatie over te dragen aan het overnemende lid welke van belang zijn of kunnen zijn voor de cliënt en/of voor de verdere advisering aan die cliënt, indien en voor zover de betreffende informatie niet via de cliënt te verwerven is. Eventuele kosten zullen in redelijkheid door het overnemende lid worden vergoed.

Artikel F8

  1. Het is de leden geoorloofd reclame te maken, mits deze niet in strijd is met de wet, de waarheid of de goede smaak en mits zij niet misleidend is of schadelijk voor de goede naam van het beroep van belastingadviseur.
    Onder reclame wordt hier verstaan elke voor het publiek bestemde uiting met als doel het verkrijgen van naamsbekendheid.
  2. Het is een lid niet toegestaan in reclame en openbare voorlichting honoraria te vermelden, tenzij deze volledig, eenduidig en voor het gewone publiek volstrekt duidelijk zijn.
  3. De ongevraagde toezending van een mededeling aan personen of instanties die onafhankelijk zijn van potentiële opdrachtgevers en voor wie de mededeling van nut kan zijn bij de uitoefening van hun functie (zoals banken, Kamers van Koophandel, belangenorganisaties, collega's en andere vrije beroepsbeoefenaren en dergelijke) wordt niet als ongevraagde dienstaanbieding beschouwd.
  4. Het is een lid niet toegestaan vergoedingen te geven voor het aan hem bezorgen van opdrachten; vergoeding voor de overname van een praktijk of een deel van een praktijk valt niet onder dit verbod.

Artikel F9

In het kader van permanente educatie zijn leden, uitgezonderd buitengewone leden, verplicht hun vakkennis te onderhouden. Hierbij wordt uitgegaan van minimaal 40 studie-uren per jaar. Leden zijn verplicht aan te tonen dat zij aan deze bijscholingsplicht hebben voldaan.

Artikel F10

De leden, uitgezonderd buitengewone leden en leden in de opleiding CB-belastingconsulent, hebben het recht in circulaires, advertenties en dergelijke geschriften en op hun naamborden, briefpapier en dergelijke bij hun beroepsaanduiding het lidmaatschap en/of logo van de Vereniging te vermelden, onverminderd het recht van het Bestuur om het logo van de Vereniging te gebruiken daar waar dienstbaar voor de Vereniging.

Artikel F11

  1. Leden, behorend tot de categorie vermeld bij artikel A11, die voldaan hebben aan het vigerende certificeringstraject, ten bewijze waarvan het certificaat van vakbekwaamheid CB-belastingadviseur is afgegeven, zijn gerechtigd tot het voeren van de titel "gecertificeerd CB-belastingadviseur" en de afkorting "CB".
  2. Leden, behorend tot de categorie vermeld bij artikel A11, die niet voldaan hebben aan het vigerende certificeringstraject, mogen zich profileren als belastingadviseur, lid van het College Belastingadviseurs.
  3. Leden, behorend tot de categorie vermeld bij artikel A12, die voldaan hebben aan het vigerende certificeringstraject, ten bewijze waarvan het certificaat van Vakbekwaamheid CB-belastingconsulent is afgegeven, zijn gerechtigd tot het voeren van de titel "gecertificeerd CB-belastingconsulent" en de afkorting "bc".
  4. Leden, behorend tot de categorie vermeld bij artikel A12, die niet voldaan hebben aan het vigerende certificeringstraject, mogen zich profileren als "belastingconsulent, lid van het College Belastingadviseurs".
  5. Leden, behorende tot de categorie vermeld bij artikel 9 van de statuten hebben het recht bij hun beroepsaanduiding te vermelden “aspirantlid van het College Belastingadviseurs".
  6. Leden/cursisten die de opleiding tot CB-belastingadviseur volgen mogen zich profileren als " gecertificeerd belastingconsulent, lid van het College Belastingadviseurs".

Artikel F12

Het Bestuur is belast met het toezicht op de naleving van dit reglement. Overtreding van één of meer bepalingen kan tuchtrechtelijk worden gestraft.

Artikel F13

Degene die het lidmaatschap van het College van Belastingadviseurs blijft vermelden nadat hij/zij reglementair uit de Vereniging is getreden, kan worden gestraft met een boete van euro 100,- per dag, doch minimaal vijf maal de jaarlijkse contributie, op te leggen door het Bestuur bij iedere overtreding.

G. ALGEMEEN REGLEMENT VOOR ANDERE DOOR HET BESTUUR INGESTELDE COMMISSIES

Artikel G1

Het Bestuur kan commissies instellen in het kader van de uitvoering van de aan het Bestuur gedelegeerde taken.

Artikel G2

Het Bestuur stelt de taak van de commissie(s) vast.

Artikel G3

De commissie doet verslag van haar bevindingen en rapporteert direct aan het Bestuur.

Artikel G4

Het Bestuur is vrij in zijn keuze van personen die in de commissies zitting kunnen nemen.

Artikel G5

De leden van de commissies kunnen worden geschorst of ontslagen door het Bestuur.

Artikel G6

Het Bestuur kan een vergoeding toekennen voor het bijwonen van commissievergaderingen.

Artikel G7

Het Bestuur kan aan de commissie ter uitvoering van haar taak een budget toekennen. De commissie is voor de besteding van de gelden verantwoording verschuldigd aan het Bestuur.

Artikel G8

In alle gevallen waarin in dit reglement niet wordt voorzien, beslist het Bestuur.

H. REGLEMENT PERMANENTE EDUCATIE

Artikel H1

  1. Het reglement Permanente Educatie is van toepassing op te certificeren leden belastingadviseurs en leden belastingconsulenten, hierna te noemen leden.
  2. Ingevolge de artikelen F1 lid 4 en F9 dienen (gecertificeerde) leden te zorgen voor eigen adequate vakbekwaamheid die is afgestemd op een deugdelijke praktijkuitoefening.
  3. Zij dienen hun werkzaamheden in de volle omvang, althans voor dat deel waarvoor zij aansprakelijk kunnen worden gehouden, naar de actuele stand van de (fiscale) wetgeving, jurisprudentie en vakliteratuur, voor hun opdrachtgevers tekunnen uitvoeren.
  4. Iedere periode van twee jaar vindt door de vereniging certificering van de vakbekwaamheid plaats waarbij wordt vastgesteld of aan de bijscholingsplicht is voldaan.
  5. De certificering is voorwaarde voor het afgeven van een bewijs van vakbekwaamheid met een geldigheidsduur van twee kalenderjaren. De certificeringsperiode van twee jaar vangt aan op 1 januari van de even kalenderjaren.
  6. Indien uit de administratie van de Vereniging blijkt dat een lid na afloop van een certificeringsperiode onvoldoende PE-punten heeft behaald, kan het Bestuur het lidmaatschap van het betreffende lid opzeggen. Deze opzegging wordt voorafgegaan door een schriftelijke mededeling aan het lid, dat hij binnen twee kalenderweken dient aan te tonen aan de verplichting te hebben voldaan.

Artikel H2

  1. Tot de permanente educatie (PE) behoren bestudering van vakliteratuur en vakbladen, cursussen, trainingen, forumbijeenkomsten, regiobijeenkomsten, vaktechnisch overleg of daarmee gelijk te stellen programma’s georganiseerd door of namens de vereniging, georganiseerd door vanwege de vereniging erkende (aanverwante) beroepsorganisaties dan wel georganiseerd door andere instellingen en/of particuliere bedrijven indien het aangeboden programma inhoudelijk vooraf met de vereniging is afgestemd.
  2. Aan deze door de vereniging erkende educatieve programma’s worden door de vereniging PE-punten toegekend.
  3. Een PE-punt is gelijk te stellen met een extern studie-uur dat voldoet aan door de vereniging gestelde vaktechnische normen.
  4. In een certificeringsperiode van twee jaar dienen tenminste 80 PE-punten te worden behaald. Dit puntentotaal is afgeleid van 40 studie-uren per jaar.
  5. Punten uitgaande boven het tweejaarlijkse minimum van 80 kunnen niet naar een volgende certificeringsperiode worden overgedragen.

Artikel H3

  1. De Permanente Educatie omvat twee onderdelen en bestaat uit een fiscaal deel (minimaal 40 PE-punten) en een algemeen deel (maximaal 40 PE-punten).
  2. Het fiscale deel omvat de toepassing en de uitvoering van de belastingwetgeving en de daaruit voortvloeiende richtlijnen, jurisprudentie en algemeen aanvaarde normen in ruime zin.
  3. Het algemeen deel omvat aanpalende kennisgebieden die voor een deugdelijke praktijkuitoefening van de leden van belang zijn en voor zover zij voor deze diensten aansprakelijk kunnen worden gehouden. Te noemen zijn de zakelijke dienstverlening op het gebied van accountancy, administratieve zaken en financiële verslaggeving, financiële en vermogensplanning, subsidies, sociale wetgeving, milieuwetgeving, civiel-, bestuurs-, en strafrechtelijke zaken, alsmede zaken die voor een goede beroepsuitoefening noodzakelijk zijn, zulks in ruime zin.
  4. In totaal dient in de certificeringsperiode van twee jaar voor beide delen gezamenlijk tenminste 80 PE-punten te worden behaald met dien verstande dat voor het fiscale deel tenminste 40 PE-punten worden behaald.

Artikel H4

  1. Leden die aangesloten zijn bij andere beroepsorganisaties en die aldaar aantoonbaar hebben voldaan en voldoen aan de educatieverplichtingen, tenminste gelijkwaardig aan door de vereniging gestelde normen, zijn vrijgesteld van het algemene deel van de Permanente Educatie.
  2. Leden die een HBO-plus beroepsopleiding volgen, zoals CB-belastingadviseur, AA, AA-Belastingaccountant, AA-Vermogensadviseur, RA, FB, Financiële Planner, academische en postacademische opleidingen en daarmede gelijk te stellen opleidingen, zulks ter beoordeling van het bestuur van de vereniging, zijn vrijgesteld gedurende de reguliere opleidingsduur met een toegestane uitlooptijd van 1/3 deel van de cursusduur.
  3. Ieder jaar kan een lid vrijwillig opgave doen aan de vereniging van door hem bestudeerde door de vereniging aangemerkte vakliteratuur en vakbladen. Na beoordeling kunnen jaarlijks zowel voor het fiscale als voor het algemene deel maximaal 5 PE-punten worden toegekend.
  4. Indien een lid door omstandigheden buiten zijn macht in een een certificeringsperiode geen of onvoldoende punten heeft behaald, kan hij een verzoek indienen bij de certificeringscommissie om hem een certificeringstoets af te nemen. De certificeringscommissie onderzoekt de omstandigheden en beslist binnen twee maanden op het betreffende verzoek. Indien een lid het niet eens is met de beslissing van de certificeringscommissie dan kan hij zijn bezwaren kenbaar maken aan het Bestuur. Het Bestuur beslist in aan haar voorgelegde gevallen.
  5. De toetsen worden steeds afgenomen in het laatste kwartaal van het certificeringstijdvak.
  6. PE-punten (urencriterium) voor aantoonbaar gevolgde bijscholingsprogramma’s toegekend door vanwege de vereniging erkende beroepsorganisaties worden ongewijzigd overgenomen.
  7. Bij (andere) instellingen niet zijnde door de vereniging erkende beroepsorganisaties behaalde PE-punten kunnen worden overgenomen indien deze programma’s door de instelling vooraf bij de vereniging zijn aangemeld en inhoudelijk zijn beoordeeld. Registratie van de PE-punten geschiedt door overleggen door het lid van een door de instelling verstrekt, gewaarmerkt bewijs van deelname. Bewijzen van deelname dienen voor 31 januari van het jaar volgend op een certificeringsperiode door het Bureau te worden ontvangen.
  8. Aan interne educatieve programma’s en interne opleidingen georganiseerd door bedrijven of werkgevers kunnen gedurende een certificeringsperiode van twee jaar maximaal 10 PE-punten per jaar worden toegekend aan het fiscale deel en 10 aan het algemene deel, mits het bedrijf of de werkgever een verklaring en voldoende inzicht heeft gegeven omtrent de vaktechnische inhoud en het aantal bestede uren.
  9. PE-punten kunnen op aanvraag en ter beoordeling van de vereniging worden toegekend op grond van specialistische werkzaamheden die een meer dan normale vakkennis vereisen, dan wel een verbreding of verdieping van de vakkennis bewerkstelligen. Voor toekenning komen in aanmerking activiteiten als docentschappen, het verzorgen van lezingen, het schrijven van publicaties en scripties, het doen van wetenschappelijke studies, het houden van referaten en andere daarmede gelijk te stellen educatieve inspanningen. PE-punten worden op basis van onderwerp, zwaarte en het tijdsaspect bepaald.
  10. Dispensatie van de educatieve verplichtingen van beperkte duur als gevolg van uitzonderlijke gevallen en veroorzaakt door situaties buiten de invloedsfeer van een lid is mogelijk op een tijdig en met redenen omkleed schriftelijk verzoek bij de vereniging. Een uitzonderlijke situatie wordt verondersteld bij persoonlijke omstandigheden die een periode van zes maanden tot maximaal twee jaar omvat. De vereniging kan als onderdeel van het dispensatieverzoek opdragen een aangepast bijscholingsprogramma of een huiswerkproject te volgen.

Artikel H5

  1. De vereniging registreert voor ieder lid de behaalde PE-punten en verstrekt tenminste eenmaal per jaar per fiscaal en algemeen deel een opgave van het aantal behaalde punten.
  2. Het bestuur delegeert de beoordeling en de toekenning van PE-punten aan de certificeringscommissie.
  3. De commissie legt jaarlijks verantwoording af aan het bestuur van de vereniging.
Meer informatie?

Voor meer informatie over het CB-lidmaatschap en/of de CB-opleidingen vraagt u een informatiepakket aan.

Bladzijden
CB-LEDENLOGIN
Dit gedeelte van de website is alleen toegankelijk voor CB-leden.
LIDNUMMER
WACHTWOORD